Elfstedentocht 1997

Hoewel ik steeds het gevoel heb dat het eind van de winter nu wel weer een beetje in zicht is, zegt de krant dat er er tóch weer een koudefront aankomt. Elfstedentocht? Ja of nee? is dan gelijk de vraag die opdoemt. Ik heb één keer redelijk bewust een Elfstedentocht meegemaakt en eerlijk is eerlijk: nooit meer!

3 januari 1997, 12 uur ’s middags

Mijn vader belt vanaf zijn werk naar huis: ‘Zorg dat je alles binnen een paar uur in orde hebt, want we vertrekken vanavond naar Friesland. We gaan naar de Elfstedentocht, want dat schijnt een enorm spektakel te zijn!’

Vanaf dat moment moesten mijn broertje en ik van onze moeder onze voetbaltassen uitmesten die al vanaf voor de winterstop volzaten met vieze schoenen en beschimmelde handdoeken. Mijn moeder vulde de voetbaltassen met warme kleding. In dit geval was het meer lukraak sjaals, wanten en mutsen vanuit de schuur in onze tassen proppen. Warme truien en oude hardloopbroeken van mijn vader erbij.

Mijn broertje en ik waren aan het schaatsen toen we halsoverkop van het ijs getrokken werden, want mijn vader moest en zou vanavond nog naar Friesland rijden. Waar we zouden slapen wisten we niet. Internet bestond nog niet, althans wij hadden er nog nooit van gehoord.
Volgens mijn vader waren er overal ter wereld hotels, dus vast ook in Friesland. Met een auto vol sjaals en mutsen reden we richting Friesland.

We waren natuurlijk niet de enigen met dit idee, heel Nederland toog naar Friesland en dat zorgde ervoor dat we ná knooppunt Hoevelaken de file inreden (linksaf). Waarschijnlijk had er sinds 1986 geen file meer gestaan in deze provincie en zou het minimaal tot 2013 duren voordat er ooit weer een file zou komen in dit koude stukje Nederland. Na een lange tocht aangekomen in Leeuwarden. Hotels vol. Natuurlijk waren alle hotels vol! Heel Nederland zat in Friesland. Maar Leeuwarden was de startplaats. Dus we zochten ons heil een plaatsje verderop! VOL! Weer een stad verderop. Vol! Vol, Vol, Vol. We besloten verder terug naar het zuiden te rijden. Verder van Leeuwarden, maar misschien toch nog een plaatsje vrij. Heerenveen. VOL! We kregen het idee om bij een boer in een stal te slapen. Mijn broertje in een kribbe met stro! We zouden het nog bij één hotel proberen. Vol! ‘Maar’ zeiden ze ‘er is bij het hotel in Oranjewald een annulering’.

We hadden een kamer, kostte bijna 300 gulden, maar dan had je ook wat. Een tweepersoonskamer met twee veldbedden erbij geplaatst. Wel met ontbijt. Dat dan weer wel!

Omdat het al zo laat was en alle restaurants in Friesland al om acht uur sluiten, waren we aangewezen op de enige snackbar in Heerenveen. Tegelijkertijd ook de hangplek of uitgaansplek voor de plaatselijke jeugd. Daar aten wij patat en een ham-kaassouflé. Ham-kaassouflees was erg hip in die tijd. Een delicatesse. Vooral in Friesland.
Tegenwoordig moet je goed zoeken als je een ham-kaassouflé wilt eten, maar dat kan ook liggen aan het feit dat ik weinig in een snackbar kom.

4 januari 1997 vroeg in de ochtend

Vroeg opgestaan om om zeven uur de trein naar Leeuwarden te pakken. Althans, dat was het plan. Uiteindelijk liepen we iets voor achten het station van Heerenveen binnen. Dik ingepakt. Mijn broertje wilde in eerste instantie geen extra trui aantrekken. Hij wilde eigenlijk gewoon zijn standaard kleding aan: een Feyenoordtrainingspak,
een Feyenoordjas en Feyenoord sokken. Tegen de kou had hij een Feyenoordmuts en een Feyenoordsjaal aangetrokken. Verder maakte het hem niet veel uit. Onder protest trok hij ook nog maar een normale trui aan onder zijn trainingspak.
Ik had de keuze uit twee paar schoenen; warme schoenen waar ik vrijwel nooit op had gelopen én niet zulke warme schoenen die al helemaal ingelopen waren.
Omdat ik dacht dat er veel gelopen zou worden, koos ik voor de laatste variant; koude voeten, maar wel lekker lopen.

Voor het loket stond een lange rij. Mijn broertje was nog klein in die tijd, had een Feyenoord-outfit aan én zag wel iets in Oud-Rotterdams voordringen.
De kaartjes kostten meer dan honderd gulden, máár dan mocht je wel heel de dag gratis met trein en bus reizen. Achteraf stom dat we ze gekocht hebben. De trein was overvol en al zouden ze willen controleren. Dat lukte die dag echt niet.
We zaten als sardines in een blikje en dat zou niet voor het laatst zijn die dag.

Aangekomen in Leeuwarden wilden we kijken bij de start. Er kwamen allemaal hardlopende schaatsers aan, voor de rest was het er heel druk en er was weinig te beleven. Dan maar het hele stuk teruglopen naar het station (een klein uurtje). Ik was blij dat ik mijn lekkere schoenen had aangetrokken. Toen nog wel!

Terug bij het station. We wilden een bus pakken, want we hadden immers heel de dag ‘vrij’ reizen. Natuurlijk waren we niet de enige met het idee en we hebben toen op aanraden van een paar mensen de bus naar Bartelehiem genomen. Bartelehiem moest geweldig zijn. Je had daar een bruggetje waar je op kon staan én (niet geheel onbelangrijk), de schaatsers kwamen daar twee keer langs.

Weer als Sardines, maar nu in de bus. Gelukkig wel gecontroleerd, anders hadden we de dagkaarten voor niets gekocht. Na een half uurtje opgevouwen te hebben gezeten, zagen we Bartelehiem in de verte opdoemen.

Bartelehiem bruist niet bepaald. Die dag misschien wel, maar de rest van het bestaan zijn het gewoon vier huizen, één brug en een hoop weiland waar ze het bord Bartelehiem hebben gepland. Nu hadden de Bartelehiemers er twee partytenten bijgezet én een dwijlorkest. De warme chocomel en de erwtensoep waren al op voordat we aankwamen.

Het schaatsen kijken was voor de rest veel wachten. Een beetje zoals mensen op de Tour de France wachten, maar dan bij min twintig met je voeten in de sneeuw in een open weiland. Dan heb je weinig aan goed lopende schoenen kan ik je vertellen. Lang wachten op een paar schaatsers die als een speer voorbij schieten. Gelukkig kwamen ze twee keer langs Bartelehiem. Dus dat betekende nóg een keer lang wachten in de kou tot ze weer voorbij kwamen. Gelukkig werden we in de tussentijd nog een beetje vermaakt door twee streakers op het ijs. Twee jongens schijnen het geweest te zijn, maar dat hebben we zelf niet met het blote oog kunnen waarnemen.

Toen de hele kopploeg voorbij was, hadden we het zo koud dat we geen zin meer hadden om te wachten op de recreatierijders. Het liefst waren we de eerste de beste kroeg ingedoken. Bartelehiem heeft geen kroeg. Alleen maar vier huizen, een brug en een hoop weiland.

We kwamen op het lumineuze idee om de bus terug naar Leeuwarden te pakken. We waren inmiddels zo verkleumd dat we met liefde al sardines in een bus zouden staan. Al was het alleen maar om een beetje warm te worden van alle vieze mensen die ook in de bus stonden.

Bij de bushalte aangekomen, zagen we dat nog minimaal duizend mensen hetzelfde idee hadden. Extra bussen reden die dag niet. Er kwam gewoon een bus volgens de dienstregeling. Bovendien was het zaterdag en dat betekende gewoon dat er één bus in het uur reed in Bartelehiem, die vaak niet eens stopte.
Niemand die in die vier huizen woonde, ging graag met de bus.

De helft van de’ buswachters’ besloot dan maar naar Leeuwarden te gaan lopen. Over het ijs. Inmiddels was het flink gaan sneeuwen en ik weigerde over het ijs te lopen met mijn ‘niet zo warme schoenen’. In plaats van naar Leeuwarden te lopen besloten we juist de andere kant op te gaan.
Daar liepen we dan. In het midden van nergens, weilanden, sneeuw. Met zijn vieren. Niets te eten. Niets te drinken. Eén extra trui onder je Feyenoordpak. Min twintig, harde wind. Snijdende kou.
We hoopten dat we een restaurant zouden tegenkomen, een kroeg of desnoods een snackbar voor een lekkere ham-kaassouflé. Met een telefooncel (die bestonden in die tijd nog) hadden we ook al gelukkig geweest.

Na een uur lopen, kwam in de verte een taxi ons tegemoet rijden. We probeerden hem aan te houden. Helaas was hij al bezet, maar het was wel even fijn toen de taxichauffeur zijn raam opendraaide en de warmte uit zijn auto voor heel even tegen ons gezicht naar buiten kwam.

De taxichauffeur zou proberen een collega op te roepen, maar het was erg druk zei hij. Anders zou hij zelf terugkomen, maar dat zou nog wel even duren.
Gelukkig had mijn moeder haar hele tas volgegooid met alle mutsen sjaals en handschoenen die erin pasten, dus we hadden ons al flink ingepakt, wat maar weinig hielp.
Ook de gratis Unox-mutsen die werden uigedeeld, hadden we inmiddels met vier tegelijk over onze oren getrokken. Goelags in Siberië. Hongerwinter!

Na weer een half uurtje kwam er weer een taxi aanrijden die was ‘gereserveerd’.
‘Ja, door ons dus’ zeiden we. In eerste instantie geloofde de taxichauffeur ons niet, maar voor hij kon protesteren zaten we al in de taxi.
De kachel in de taxi ging op de hoogste stand en daardoor zaten we binnen de kortste keren te knikkebollen.

De taxichauffeur verbaasde zich dat mensen uit Rotterdam (hij had het snel door, vanwege mijn broers Feyenoord-outfit) naar de Elfstedentocht kwamen kijken. “Dat is toch helemaal niks voor jullie?”. Volgens hem konden alleen Friezen dat leuk vinden, omdat die normaal gesproken uit verveling om 9 uur ’s avonds op bed lagen.
Zelf vond hij er ook maar weinig aan, want hij kwam immers uit de grote stad Emmen. Suf luisterden we naar het radioverslag van de tocht. De eersten waren al gefinished voordat we in de taxi zaten.

“Ene Achmed heeft gewonnen” zei de taxichauffeur. Wij kenden alleen Erik Hulzebosch van TV en we hadden nog nooit een Turk op schaatsen gezien.
Achmed heette eigenlijk Henk Angenent en hij was geen Turk, maar gewoon een Nederlander. De Taxichauffeur was dat trouwens ook, een Nederlander. Dat vonden wij uniek voor een taxichauffeur.

Nadat we honderdnegentig gulden hadden afgetikt (ja speciaal tarief vandaag). Werden we in het centrum van Leeuwarden gedropt. Omdat we inmiddels behoorlijk ingekakt waren, besloten we een kroeg op te zoeken voor iets te drinken en te eten. We waren inmiddels zo opgewarmd dat we absoluut geen zin meer hadden om de kou in te gaan.
Iedereen was dronken van de Berenburg en wij zaten als dode vogeltjes in de kroeg. 

Na een uur had ik het gevoel in mijn voeten weer een beetje teruggekregen en ik had daardoor het beste idee van de dag: “Zullen we gewoon lekker teruggaan naar het hotel?”

De tocht naar het station ging weer door de kou. De trein was weer ouderwets als Haringen in een Ton. Weer geen controle!

In Heerenveen zijn we naar de Chinees gegaan en we hebben het hele buffet leeggegeten. We hadden nog nooit zo lekker Chinees gegeten.
Ik ben er jaren later nog eens teruggeweest en vond die Chinees nooit meer zo lekker als die avond. Het zal wel aan de honger hebben gelegen.

In de hotelkamer hebben we de samenvatting van de Elfstedentocht op televisie gekeken. Dat is me zo goed bevallen dat mocht er ooit weer een tocht komen ik die weer op TV ga kijken. Met een schaaltje ham-kaassouflés. En mijn lekkere schoenen aan!

Niets doen en tuinkussens

Ik speel altijd mee in de Staats- en Postcodeloterij, maar win zelden iets.
Vanavond is het Oudejaarsavond 2012, en ik heb natuurlijk weer loten die ervoor gaan zorgen dat ik miljonair word. De lol van dat hele loterij-gebeuren is het feit dat vanaf het moment dat je een lot koopt, je loopt te dromen van wat je allemaal met dat geld zult gaan doen. Ik heb het geld dat ik vanavond ga winnen (dat is een zekerheidje), al drie keer uitgegeven. Reizen, businessunits, auto’s……niets doen, het allerbelangrijkste, niets doen.

Ik ben vrij goed in niets doen. Ik kan hele dagen niets doen, zonder me te vervelen.

Vorige week las ik in de krant een interview met de loterijwinnaars van vorig jaar. Ze mochten op 2 januari de prijs op komen halen, maar waren toen al in een soort van rouwstemming zeiden ze, dat schijnt vaker voor te komen.
Toen ze het geld eenmaal op de rekening gestort hadden gekregen, hebben ze eens flink de bloemetjes buiten gezet. Ik citeer: ‘Om het één en ander te verwerken, zijn we naar het tuincentrum(!) gegaan, daar hebben we nieuwe kussens gekocht voor onze tuinset. De oude waren echt aan vervanging toe. Die kon écht ik niet meer zien’.
Logisch. Nieuwe kussens voor de tuinset, die had ik nog helemaal niet in mijn begroting zitten….
De andere luxe die ze zich het afgelopen jaar hebben gepermitteerd was dat de man één dag in de week minder was gaan werken. Ik herhaal: één dag in de week MINDER is gaan werken. Je wint dus dertig miljoen en je besluit om vier dagen in de week wél naar je werk te gaan om je te laten vertellen wat je moet doen. De vrije dag die je in de week extra hebt, ga je spenderen op de nieuwe kussens van je oerdegelijke Hartman-set in je achtertuin.Waarom koop je dan een lot?…….Dat soort mensen moeten ze het geld afpakken! Gewoon een commissie in het leven roepen die controleert of je het gewonnen geld wel een beetje besteedt met hoeren en snoeren. Doe je dat niet?….INLEVEREN! Geef het geld aan mij…..Dan zal ik eens voordoen hoe je het eens lekker over de balk smijt.
En als ik zeg over de balk smijten, dan bedoel ik ook echt over de balk smijten……Geen horloge kopen voor € 10.000,- maar gewoon 1000 keer aan mensen vragen hoe laat het is, en die mensen dan een tientje betalen. Beleef ik meer lol aan!
Een ander tof ding om te doen, ik huur twee privé detectives in en laat ze elkaar (zonder dat ze dat weten) volgen! En voor de rest lekker heel de dag niets doen.

Ik word altijd zo moe van die mensen die de zo normaal blijven doen, omdat ze dan zo lekker gewoon gebleven zijn. Ik heb ze ook in mijn omgeving hoor, mensen die bij mijn loterijdromen zeggen: ‘Ik zou gewoon blijven werken, want anders ga ik me vervelen. Wil jij dan heel de dag niets gaan doen? Dat ga je niet volhouden!’. Nou reken maar wel dat ik het volhoud. Niets doen is in mijn geval: beetje uitslapen; krantje lezen; uitzending gemist kijken; vakantietje boeken; op vakantie gaan; boeken lezen; voetbalwedstrijdje kijken, tussen de middag een siësta houden op de bank of ergens in het zonnetje en voor de rest veel op het terras zitten. Dat ga ik mijn leven lang volhouden!
En ik ga ook geen vrijwilligerswerk doen om bezig te blijven en ik ga ook niet investeren in een bedrijf of in goud. Nou ja….in goud misschien wel, maar dan ga ik er ook bijlopen als BA Baracus….gewoon omdat het ik dát tof is om te doen.

Overmorgen kan ik beginnen met niets doen, de rest van mijn leven…..uitslapen en krantje lezen….En als ik de krant dan opensla zie ik op de voorpagina: loterijwinnaar voorspelt in column zijn winst……en mocht ik onverhoopt niet winnen….Ach mooie tuinkussens heb ik al!

Dromomania

Dromomania

Drugs. Alcohol. Gokken. Roken. Zomaar een paar verslavingen van de doorsnee Nederlander. Moeilijk om vanaf te komen, maar met behulp van goede klinieken, praatgroepen, pleisters en kauwgom kom je een heel eind. Zorgverzekeraar betaalt mee, geen probleem. De naaldenprik-Chinees wordt vergoed en een abonnementje van de Fit for Free is verzekeringstechnisch aftrekbaar.

Ik leid dus aan Dromomania, maar er is geen verzekeringsmaatschappij die mijn verslaving, waar jaarlijks meer geld aan opgaat dan bij rokers, bekostigt. Even een simpele berekening: rokers die elke dag een pakje wegpaffen, hebben aan kosten ongeveer €2200,- per jaar ( 7x €6,- x 52) mijn verslaving kost me op op jaarbasis minimaal het dubbele en niemand die zich om mij bekommert.

‘Dromomania?’ hoor ik u denken, ‘wat is dat nu weer?’. Daarom citeer ik voor u de bron der bronnen (de Telegraaf):  Ontembare reislust, de sterke drang om over de wereld te zwerven: het is een ware ‘ziekte’. Dromomania (van het Griekse ‘dromos’, dat rennen betekent, en ‘mania’, oftewel ziekte) werd in 1826 voor het eerst geconstateerd bij de Fransman Albert Dadas. De 26-jarige jongeman kwam op een dag niet meer opdagen op zijn werk in een fabriek in Bordeaux. Hij was vertrokken om voor een jaar lang lopend door Europa te zwerven. Na thuiskomst verklaarde hij aan een jonge psychologiestudent dat hij zijn drang om te reizen niet kon onderdrukken. De verleiding om nieuwe plekken te ontdekken was simpelweg te groot. Dadas leed, zo weten we nu, aan dromomanie: de psychologische, oncontroleerbare drang om te zwerven.

Ik leid dus aan dromomania en het deze aandoening is in mijn geval hardnekkig. Het beïnvloed mijn leven dusdanig dat ik soms niet meer over andere dingen kan nadenken. Al het extra geld dat ik op één of andere manier binnenkrijg, wordt direct doorgerekend in vliegtickets en hotelkosten. Met grote regelmaat (dagelijks), kijk ik op internet naar goedkope tickets of zoek ik naar aanbiedingen voor verblijfplaatsen. Een obsessie. 

Ik had die aandoening al toen ik begin twintig was en vaak hoor je dat het in de loop van de tijd wel zal wegebben. Nou niet dus. Elke keer plannen, elke keer lijstjes maken: Argentinië kan volgend jaar kerst wel of wordt het dan Namibië? Wat doen we dan in mei? IJsland of misschien een gedeelte van Zuid-Afrika waar ik nog niet geweest ben? Noord Korea?! Graag! Mozambique, Ghana, Nepal, Uruguay, Taiwan, Australië, Jordanië Nieuw-Zeeland, Birma. Ik heb er zo nog twintig staan. Want Equador en de Galagapos Eilanden en ook ‘gewoon’ Finland en Israël staan nog op dit lijstje. Ik kan er soms treurig van worden als ik eraan denk dat ik in mijn leven nooit te zien zal krijgen wat ik allemaal wil zien. Want weet je, wanneer je iets kunt afstrepen, staan er inmiddels alweer vijf dingen in de rij te dringen om bezocht te worden.

Ik eis van mijn ziektekostenverzekering, aangezien het door de Telegraaf wordt omschreven als echte ziekte, dan ook een bijdrage in de jaarlijkse kosten. Niet alles, maar de helft mag ook. Óf ik wil een goede behandeling waardoor ik vanaf nu tevreden kan zijn met een jaarlijkse vakantie naar een all-inclusive op Tenerife  of ieder jaar naar dezelfde Franse camping. Een goede behandeling in de vorm van een naaldenprik-Chinees, maar dan wel in Taiwan of Birma als het even kan……..kunnen we die ook weer afstrepen.

De neger in mij

Als er mensen zijn die denken dat ik de titel van deze tekst figuurlijk bedoel, dan hebben die mensen het mis. De titel van deze tekst moet je zo letterlijk nemen als je kunt. Wees gerust, ik ben niet ineens van de herenliefde geworden, maar ergens in mij schuilt een stukje neger. Dat komt zo:

Het moet een druilerige zaterdagmiddag zijn geweest, althans zo herinner ik mij het. Volgens mij ergens in november Ik stond in het veld als laatste man. Snelle spits tegenover me. Twee meter ertussen of plakken was het devies. Hij versnelde, ik draaide verkeerd. Krak. Au..

Diagnose: gescheurde kruisband, kapotte meniscus, ingescheurde mediale band en kuitbeen uit de kom. Weg dromen. Verloren talent. Nooit zal ik schitteren in San Siro, nooit een mooie solo in Santiago Bernabeu. Alles kapot, binnen één verkeerde draai, één fractie van een seconde. De mensen die mij en mijn voetbalcarrière kennen, wisten natuurlijk al dat ik dat niveau nooit zou halen. Maar ik blijf het een mooi excuus vinden; mijn knie..

Ik had een keus: een stukje uit mijn bovenbeen laten halen en terugzetten óf een kruisband van een donor. Ik koos het laatste. Ik moest wachten tot er iemand zou overlijden. Een mens in Amerika, die ten tijde van mijn eerste afspraak in het ziekenhuis nog leefde. Toen deze persoon zijn ogen sloot, werd mijn kruisband direct overgevlogen en de volgende dag gingen ze sleutelen aan mijn nieuwe knie.
Zo’n donording in je lichaam is toch een raar idee. Je vraagt je af van wie dat stukje lichaam is geweest dat nu in het jouwe zit. Ik ben er inmiddels heilig van overtuigd dat mijn knie van een neger is geweest. Niet dat ik dat heel erg heb nagezocht, maar dat is gewoon mijn gevoel. Ik heb ‘m Clarence genoemd. M’n knie. Want dit gedeelte van mijn lichaam heeft een eigen willetje. Wanneer de muziek op een feestje wordt aangezet, zorgt Clarence ervoor dat ik mezelf de dansvloer opsleep, de rest van mijn lichaam stribbelt tegen, maar het is Clarence die de rest van mij weet te overtuigen te gaan dansen. Ik ben van mezelf vrij houterig op de dansvloer, behalve mijn rechterknie. Clarence heeft’ moves’, is soepel en smooth. Wanneer ik haast heb om ergens op tijd aanwezig te zijn, houdt Clarence me tegen. ‘Rustig aan’, hoor ik hem zeggen. Ik zelf kom graag op tijd, maar Clarence zorgt vaak dat ik nét iets te laat ben.
Rijd ik langs de Kentucky Fried Chicken, dan kan Clarence zich niet beheersen. Hij moet en zal naar binnen. Clarence houdt van kip en zou het liefst heel de dag overal een beetje kip kopen. Gelukkig weet de rest van mij hem vaak genoeg tegen te houden.

Ik heb gefilosofeerd wie Clarence was, in zijn eigen lichaam, in zijn eigen leven. Ik verwacht niet dat hij is neergeschoten in een door een rivaliserende bende, dat zou Clarence tekort doen. Zo ìs hij niet. Clarence, zo denk ik, is overleden door ouderdom en zat daarvoor heel de dag op zijn veranda ergens nét buiten New Orleans. Hij was een lange neger met grijs haar en een donkere stem. Wanneer hij geen domino speelde met zijn vrienden, speelde hij op zijn trompet. Zachtjes mooie deuntjes blazen in de brandende zon. Sigaren en rum binnen handbereik. Hoedje op. Clarence was een gelukkig mens!

Hoewel Clarence en ik een tijdje aan elkaar hebben moeten wennen, ben ik nu erg gelukkig met hem. Voetballen kan Clarence niet. Hij hield van basketbal en honkbal. Dat is Jammer. In de dertien jaar dat hij nu deel uit maakt van mijn leven, ben ik écht van hem gaan houden…… Tóch nog een beetje herenliefde.

Wijsheden die me bij Manuel brachten

Mijn vader is een wijs man. Althans, dat tracht hij te zijn. Heel mijn leven probeert hij zijn wijsheden uit op mij, voordat hij ze tegen de rest van de wereld vertelt. Wanneer ik zijn filosofie zonder twijfel aanneem, dan is het voor hem een teken om het voorzichtig eens bij de buurman te proberen. Daarna bij de kapper en langzaam verder er verder. Als je jong bent, ben je erg gevoelig voor die dingen en eerlijk gezegd heb ik veel van deze ‘wijsheden’ overgenomen. Bewust of onbewust neem je die dingen mee in het leven. Soms heb je er veel aan, soms helemaal niks. Eén van de eerste dingen die mijn vader me leerde was:’ Ga nooit in een restaurant eten waar niemand zit, want dat ken nooit iets weze’. Nou trek ik zijn filosofieën nog wel eens in twijfel, maar hier is geen speld tussen te krijgen.
Als je dan jaren later op eigen houtje de wereld intrekt, weet je dat je dus plekken moet zoeken waar veel volk zit te eten. Dat zit zo onderhand in mijn systeem. Voorzichtig probeerde ik de wijsheid van mijn vader uit op een vriend met wie ik op reis was. Hij vond dat ik gelijk had!
In theorie werkt deze wijsheid van mijn vader altijd, maar wanneer je eind februari in een kustplaats in Portugal bent, wordt het toch moeilijk om in praktijk te brengen.
Voor Nederlandse begrippen was het best lekker weer, een graad of zeventien, dus tijd om het terras op te zoeken. Geen Portugees die het in zijn hoofd haalde om nu in Praia de Mira aan het strand te gaan zitten en andere Hollanders hebben deze plaats nog niet ontdekt. Badplaats verlaten. Restaurants leeg. Dan heb je niets aan de theorieën van papa! Wanneer alle zekerheden in je leven weg weg zijn kun je maar één ding doen. Gokken!
Op hoop van zege zijn we dus maar een willekeurig tentje binnengestapt. Helemaal leeg. Totaal verlaten. Na een kleine tien minuten te hebben gewacht, kwam de kleine eigenaar, die me deed denken aan Manuel uit Fawlty Towers, bij ons tafeltje met iets dat op een kaart leek. Het kaartje was alleen in het Portugees. We hadden geen idee wat erop stond! Met handen en voeten en een mengelmoes van Engels, Spaans en Frans moesten we duidelijk maken wat we wilden eten. De man knikte, maar ik twijfel er nu nog steeds aan of hij destijds begreep wat we nou precies wilden hebben. Ik hoopte aan dat tafeltje stiekem dat mijn vader trots op me zou zijn dat ik me kon redden als één van zijn wijsheden niet opging. Toen ik even naar binnen ging om te plassen, was ‘Manuel’ aan de telefoon. Druk gebarend en luidruchtig probeerde hij de persoon aan de andere kant van de lijn iets duidelijk te maken. Misschien was het zijn zoon, die hij een mooie Portugese wijsheid meegaf.
Na een klein half uurtje komt er een mollig oud vrouwtje het terras oplopen. Volle boodschappentas vol met groente en andere dingen. Ik tik mijn vriend aan: ‘Ze zijn dus gewoon boodschappen gaan doen, speciaal voor ons’ fluister ik. Daarom had de eigenaar dus naar zijn vrouw(?) gebeld. Weer een half uurtje later (we hadden de tijd, het was immers ‘mooi’ weer), komt ‘Manuel’ met een klein schoteltje bij ons tafeltje. Na drie minuten met nog één. En nog één en nog één. Het gaat nog even zo door. Inktvis, garnalen, viskroketjes, stukjes biefstuk, sla frites en nog veel meer. Manuel blijft maar op en neer lopen met zijn schoteltjes en bordjes. Lichte paniek bij mij na het zoveelste schoteltje.’Die kerel belazert ons natuurlijk! Komt met allemaal schoteltjes aanzetten waar wij niet om gevraagd hebben en dan kunnen wij straks de hoofdprijs aftikken’. We hadden al besloten om dan wat geld op het tafeltje te leggen en het dan op een lopen te zetten. Manuel ons probeerde duidelijk te maken dat we nog een ijsje mochten uitzoeken ‘ From the house’. Ook dat trokken we in twijfel
Toen de eigenaar naar ons tafeltje kwam lopen om het bonnetje aan ons te overhandigen, hadden we onze veters al goed gestrikt en zaten we al min of meer in de starthouding. We moesten inderdaad twee keer op het bonnetje kijken, maar dat kwam meer omdat we de prijs zo laag vonden. We hebben Manuel en zijn vrouw (?) een dikke fooi gegeven voor het geweldige eten en de gastvrijheid. De ijsjes stonden inderdaad niet op de rekening. Toen we opstonden om rustig het terras af te lopen (dat was op zich al een geruststelling), kwam de baas ons nog een hand geven en persoonlijk bedanken voor de klandizie en de royale fooi. We werden door beiden uitgebreid uitgewaaid.
Ik heb aan mijn vader uitgelegd, waar het tentje van Manuel zit. Hij heeft er gegeten. Midden in de zomer. Terras afgeladen! Prijs nog steeds laag! Sindsdien heeft mijn vader er een wijsheid bij. In Portugal, krijg je in restaurants absoluut waar voor je geld. Zelfs de buurman van mijn vader heeft inmiddels bij Manuel gegeten. Ik denk dat ik al een idee heb waar zijn kapper aankomende zomer naartoe op vakantie gaat.

Pannenkoeken

Vandaag is het Nationale Pannenkoekendag. U leest het goed….30 maart is voortaan Pannenkoekendag. 
‘Hoe kom je daarbij?’ zult u denken. Ik liep afgelopen woensdag in de supermarkt en daar stond het gewoon op een bordje….30 maart, Pannenkoekendag. Naast het bordje lag in een koelcel een hele lading pannenkoeken. Van die voorverpakte. Opgestapeld in in vier of vijf rijen. Ze waren vierkant en erg in de aanbieding. Er lag nog een afwijkend pakje ronde voorverpakte pannenkoeken naast. Waarschijnlijk had iemand een pakje ronde exemplaren gekocht en deze persoon kwam er naderhand pas achter dat de vierkante, voorverpakte pannenkoeken véél goedkoper waren. Toen heeft ze ze, toen niemand keek, stiekem bij de verkeerde stapel teruggelegd. Te lui om terug te lopen.

Ik houd van pannenkoeken en ik ben best bereid om de rest van mijn leven op 30 maart een pannenkoekje te eten. In een leuk pannenkoekenhuisje met een geblokt tafelkleedje op tafel. Mooie pot stroop ernaast. Zo hoort Pannenkoekendag eruit te zien. Een familiedag. Een nationale feestdag. Sterker nog; ik pleit voor een vrije dag voor iederéén op 30 maart. De pannenkoekenhuizen helemaal vol en iedereen met een butagesstelletje op de stoep om pannenkoeken te bakken. Pannenkoeken als bindmiddel. Pannenkoeken om te verbroederen. 
Ik heb er thuis een beetje op aangedrongen, maar ik ga ze vanavond eten. Niet de vierkante, maar zelfgebakken pannenkoeken met echte schenkstroop. 
Ik hoop dat het volgende week poffertjesdag is!

Weer even twaalf

Ik heb vandaag een vrije dag. Mama moest werken, de mannen zijn met de badkamer bezig dus ik even naar buiten. Ben ik met die kleine even naar het schoolplein hierachter gegaan. Bal meegenomen om een beetje over te tikken.
Na een kwartiertje, ik wilde eigenlijk weer weg, was de bal van één van de achtste groepers op het dak geschoten…Niemand durfde het dak op, deels uit angst voor represailles,deels omdat ze het te hoog vonden om te klimmen. Nadat ze ons even hadden geïnspecteerd, kwam de dapperste van het stel op me af: “Meneer, onze bal ligt op het dak, kunt u ons misschien helpen?”. Ik kreeg direct flashbacks, over hoe erg het was als je mooie ‘leren’ bal ergens op een dak lag, of in de sloot. Ik stemde in.

In eerste instantie wilde ik die jongens helpen met klimmen, gewoon een ‘pootje’ geven en daarna precies vertellen hoe ze zich vast moesten pakken om de drie-en-een-halve omhoog te klimmen. De jongens hadden een ander plan.
Twee minuten later bungelde ik dus aan een de dakrand en trok mezelf omhoog. Op het dak van basisschool OBS West ziet de wijk er toch een stukje anders uit. De bal met een mooie boog het dak weer afgeschoten, onder luid gejuich en geklap van mijn jonge buurtgenoten. Nadat ik weer veilig met beide benen op de grond stond, vielen schouderklopjes en bedankjes mij ten deel. Net toen ik dacht dat het ‘erop’ zat en wilde vertrekken van het schoolplein (ook ik was inmiddels bang dat er een boze hoofdmeester of conciërge me vermanend zou toespreken) werd ik uitgedaagd voor een partijtje in de panna-kooi. 1 tegen 1. Tot de drie en bij een panna lag je eruit.
Alle partijen gewonnen natuurlijk tot de eerste weg moest voor het eten! Toen ik mijn jas aantrok om weer weg te gaan vroegen ze: ” Kom je morgen weer?”.
Jammer genoeg moet ik morgen werken, maar volgende week ga ik vragen of ze zin hebben om een hut te gaan bouwen! Of is dat verdacht?
Ik voelde me weer even twaalf…….Met mijn nieuwe vrienden!

Vrouwen

Beste vrouwen, 

Ik richt me even tot jullie, omdat blijkt dat mannen niet aan dat soort onzin doen. Oké wij hebben onze eigen geheimzinnige dingetjes. Onze gesprekken over voetbal zullen misschien ook klinken als een geheimtaal en ook wij hebben grapjes die alleen voor intimi bedoeld zijn.
Maar nu lees ik alweer een aantal dagen COGNAC, CHAMPAGNE, TEQUILLA, BIER EN WIJN in statussen staan. Na een

 aantal jaren weten wij mannen nu heus wel dat dat een dingetje is voor tegen borstkanker. Net zoals jullie na jaren ook eens een keer de buitenspelregel doorkrijgen. 
Jullie geheime taaltje hebben we nu dus ook doorgrond, het is voor tegen borstkanker. Wat die dranktermen precies inhouden, zal me verder aan mijn aars oxideren. We weten dat het weer een Pink Ribbon-actie is en jullie massaal je statussen aanpassen en stiekem gniffelen, omdat jullie een geheimpje hebben. Als een soort geheim wachtwoord dat wij jongens vroeger hadden als we een hut hadden gebouwd. Alleen de jongens die het wachtwoord wisten, mochten naar binnen. En hele sterke jongens, maar dat is weer een ander verhaal! 
Geheimtaal op Facebook, zodat je laat zien dat je tegen borstkanker bent en dat al voor het derde jaar achter elkaar. Én, denk je dat het geholopen heeft? Tuurlijk niet! De ziekte is er nog steeds, het heeft ook helemaal niet geholpen dat je je je status in een kleur of een stad hebt veranderd.
Ik ben óók tegen borstkanker en ik stort aan de hand van deze status straks direct geld op giro 26000 (kwf kankerbestrijding). Als je ook tegen bent……doe dat ook! Dat helpt écht meer dan CHAMPAGNE posten!

Liefde in de tweede kamer

Vergeef me mijn oppervlakkingheid, maar wat stemmen betreft ben ik een rare.Van vrouwen hoor ik meestal dat ze alleen op vrouwen stemmen. Ik doe dat een beetje anders. Ik stem altijd op basis van achternaam. Vanmorgen stond ik weer in het stemhokje met een rood potlood in mijn hand te twijfelen op wie ik zou stemmen. Mijn oog was gevallen op nr 36, De Liefde of op nr 58 Geselschap. Dat vind ik mooie namen en mooie namen verdienen mijn stem. Ik snap dat het een beetje oneerlijk is ten opzichte van mensen die geen mooie achternaam hebben Rutte en Roemer vind ik vrij doorsnee namen, dus die krijgen mijn stem niet. Samsom vind ik wel weer grappig, alleen moet ik bij die naam eerder denken aan een Belgische Bobtail met haar voor zijn ogen (en als Samsom één ding niet heeft, dan is het wel haar voor zijn ogen) dan aan de politiek leider voor Nederland. Laten we eerlijk zijn, als Samsom Minister President van Nederland wordt en hij moet op staatsbezoek bij onze zuiderburen, dan laten ze daar spontaan eerst alle deurbellen repareren.

Ik twijfelde dus tussen De liefde en Geselschap, gewoon omdat ik dat mooie namen vind. Bovendien denk ik dat het minder hard aankomt als het over bezuinigingen gaat, als zoiets wordt medegedeeld door Bart de Liefde of Jock Geselschap. Dan heeft het iets vriendelijks. 
Er is trouwens één reden om af te wijken van mijn voorkeur voor mooie achternamen. Als iemand op de lijst dezelfde achternaam heeft als een (voormalig) Feyenoordspeler, dan krijgt hij of zij mijn stem ook. Dus heet je Schuiteman, Zwijnenberg of Bulayima dan heb je mijn stem al, hoef je niets extra’s voor te doen. 
Oppervlakkig gedacht? Misschien! Maar ik kijk ook wel naar de politieke voorkeur waar iemand voor staat. Wanneer iemand een schitterende achternaam heeft, maar zijn politieke ideeën rijmen niet met die van mij, dan stem ik op iemand met een minder mooie naam. 
Even viel mijn oog vanmorgen in het benauwde gymzaaltje van basisschool ‘De Fontein’ op Mohammed Allach. Nummer 73 van de PVDA, maar belangrijker….oud speler van Feyenoord. Ik heb het niet gedaan! Ik gun Allach een zetel in de Tweede Kamer, maar daarom PVDA stemmen kon ik niet over mijn hart verkrijgen, dat mogen anderen doen!
Uiteindelijk gekozen voor Bart de Liefde, nummer 36 van de VVD lijst. Volgens de peilingen zou deze ex-leerling van het Rotterdams lyceum (heb ik even gegoogled, want als hij uit Amsterdam zou komen, enfin je begrijpt het) nét buiten de boot vallen. Dat zou ik jammer vinden. Daarom heb ik Bart de Liefde gestemd. Hopen dat hij met voorkeurstemmen toch de Tweede Kamer bereikt. Want laten we eerlijk zijn, in deze dagen van recessie en bezuinigingen kunnen we wel wat Liefde gebruiken. 
Wat ben ik toch een Romanticus!

Bussietrap international

-1-
Plaza Mayor, Madrid, Spanje. Toeristischer vind je het bijna niet. Wie in Madrid komt, doet hét rondje: Sol, Retiro, Prado, Santiago Bernabeu, Koninklijk Paleis eventueel Atocha of Plaza de Torros én zoals eerder gezegd Plaza Mayor plus de straatjes eromheen. Madrid is veelzijdiger dan Barcelona. Het heeft alleen geen strand, maar zoals de Madrilenen zelf zeggen: ‘Als je het warm hebt, eet je

maar een ijsje’. Wanneer je zo hier en daar eens gezellig op het terras gaat zitten en gaat relaxen in het park, kun je het er met gemak een dag of vijf uithouden. Zoals je vrijwel elke stad na een dag of vijf wel gezien hebt. Plaza Mayor staat vol met terrasjes, maar als je óf lekker wilt eten óf niet afgezet wilt worden, moet je hier niet gaan zitten. Heel de dag loopt het plein vol met groepen toeristen. Japanners en bejaarde Duitsers, Hollanders op een fietstour.-2-
Tamarixlaan, Hoek van Holland, Nederland. Ik ben acht jaar en ik lig op mijn rug achter een heg. Het is ruim ná het avondeten, maar het is zomervakantie en ik hoef pas naar binnen als de straatlantaarns aangaan. Op een meter of negen bij mij vandaan ligt een bal. Een oranje bal van plastic. Niet zo’n zwabberbal, maar een oerdegelijke plastic bal. We spelen bussietrap en ik ben er goed in (in andere regio’s ook wel balletjetrap, buskuit, blikkietrap genoemd). Het principe is simpel, het is een soort van verstoppertje spelen met bal. Wie het ‘ploffen’ verliest is ‘hem’. Degene met de beste trap in zijn benen schopt de bal een kolere-eind weg en degene die ‘hem’ is moet de bal gaan halen en loopt achteruit terug naar de plek waar de bal eerst lag. De rest gaat zich verstoppen en wacht geduldig af. Degene die als eerste ‘gebuut’ wordt is ‘hem’ het volgende potje. Behalve als de laatste die nog gebuut moet worden de bal nog een keer een kolere-eind wegschopt, dan is degene die ‘hem’ was ‘hem’ nog een keer. Simpel! Voor mensen die het nog nooit gespeeld hebben, klinkt het waarschijnlijk heel suf, maar ik heb er menig zomeravond mee versleten.
Ik lig als acht-jarige dus op mijn rug achter een heg. Bal een meter of negen bij mij vandaan. Ik ben de laatste die nog niet gevonden is en dat is het spannendst. Degene die ‘hem’ is durft niet te ver bij de bal vandaan. Logisch! De jongens en meisjes die al gebuut zijn, beginnen te joelen. Degene die ‘hem’ is moet wel verder van de bal af, want straks gaan de straatlantaarns aan en moeten we naar binnen en we kunnen écht nog wel een potje spelen. De jongen die ‘hem’ is, zwicht voor de argumenten. Hij loopt mijn richting uit om te zoeken. Wanneer hij mij tot een meter heeft genaderd, spring ik achter de heg vandaan en ren naar de bal. Ik ben sneller. Dat wist ik. De bal belandt door mijn trap tientallen meters verderop. Degene die ‘hem’ is, is ‘hem’ nog een keer. Iedereen juicht, behalve de jongen die ‘hem’ is. Ik ontvang schouderklopjes, zoek een andere goede verstopplek en we spelen tot de straatlantaarns aangaan.-3-
Plaza Mayor, Madrid, Spanje. Ik ben dertig jaar en lig op mijn rug achter een politie-auto. Het is midden op de dag en bloedheet. Een meter of twintig van mij vandaan ligt een rode bal midden op het plein. Bij de bal staat degene die ‘hem’ is. Over het plein lopen groepen toeristen; bejaarde Duitsers, Japanners. Een stuk of vijftien jong-volwassenen staan of liggen verstopt over het plein. Dit is een moeilijk potje! Dit is de Champions League van het bussietrap! Het is een open plein, met veel toeristen en in het midden van het plein ligt de bal. Ik lig onder/achter de politiewagen die redelijk dicht bij de buut is. In mijn ooghoeken zie ik mensen achter plantenbakken en onder terrastafels. Degene die ‘hem’ is, ziet het niet. Het is té onoverzichtelijk.
Hoe heeft het zover kunnen komen dat ik op mijn dertigste een potje bussietrap speel op Plaza Mayor? Het was eigenlijk heel eenvoudig. Na vier dagen Madrid, hadden we het meeste wel gezien. We liepen op Plaza Mayor en hadden een bal. Daarom lig ik hier! Eerst hadden we geploft op het plein, daarna proefkonijn. Degene die ‘hem’ was baalde, maar omdat dit best uniek was, was het ook leuk. ‘VERDER VAN JE BUUT AF!’ roep ik veilig vanonder de politie-auto. Het galmt over het plein. Degende die ‘hem’ is weet niet waar het vandaan komt. We hebben inmiddels veel bekijks. Groepen Japanners en bejaarde Duitsers blijven staan om een groep jong-volwassen Nederlanders te bekijken. Ze denken dat het een voorstelling is, een show, een goochelact. Dit is geen show. Dit is bittere enrst. Een voor één worden we gebuut. Ook ik. Volgens mij word ik ik verraden door een bejaarde Duitser (ja daar zijn ze nog steeds goed in). De laatste die nog gebuut moet worden, schopt de bal weg, we juichen en zoeken weer een plekje op.

-4-
Bussietrap moet ná voetbal onze tweede nationale sport worden. Na die keer in Madrid heb ik het inmiddels op meerder plekken gespeeld. Overal hetzelfde effect! Verbazing en nieuwsgierigheid. Nederlanders…ga bussietrap spelen op plekken waar we onze sport kunnen promoten! Bussietrap op Times Square in New York. Bussietrap op het st. Pietersplein in Rome. Baixa in Lissabon. Bussietrap op het Rode Plein. Picadilly Circus. In Petra. Voor mijn part Bussietrap op de Chinese muur. Ik wil Bussietrap Olympisch hebben in 2028. En ik ga persoonlijk een gouden plak binnenhalen als de Olympiade dan naar Nederland komt.Ik ben de Ranomi Kromowidjojo van het Bussietrap. Ik heb zelfs een goede tip voor de locatie. Tamarixlaan in Hoek van Holland. Ik ken de beste plekjes! Maar alleen tot de straatlantaarns aangaan.

Deze column is ook verschenen op http://www.spaansesfeer.nl