Jòszef

Jòszef, mijn held, is vandaag vijftig geworden. Niet dat ik daar bij stilstond toen ik vanmorgen wakker werd, maar ik werd er vandaag tussen neus en lippen door mee geconfronteerd. Jòszef is Jòszef, hij behoeft geen achternaam in dit verhaal. Als de naam Jòszef valt in Rotterdam knikt iedereen instemmend. Jòszef is Jezus. Jòszef is Jozef, Jòszef is Ove, Jòszef is Gordon. Zonder zijn achternaam te noemen weet iedere Rotterdammer van boven de dertig, wie er bedoeld wordt: Jòszef. De tovenaar van Tatabanya.

Soms denk ik dat ik Jòszef zie lopen. Met zijn typische loopje slentert hij naar de kassa van een Lidl of een obscure C1000, rekent snel vier halve literblikken huismerkpils, een zak paprikachips en een blik knakworsten af. Hij roept iets naar zijn maten, een taal die ik niet machtig ben en stapt in een bouwvakkersbusje. Typisch Jòszef. Zelfde blokhoofd, zelfde matje in de nek, zelfde pens.

Soms droom ik nog wel eens over Jòszef. De slalom in Maastricht, het stifje in Groningen. Het hakje tegen Cambuur. In mijn herinnering scoorde Jòszef alleen in de tweede helft. Populair bij het legioen. Populairder zie je ze maar zelden. Jòszef gaf het gevoel dat ieder van ons kon wat hij kon. Dat kwam door zijn vlassnor en het shirt dat te strak om zijn lichaam zat. Topspits in de lichaam van een kroegbaas.

Ik ben ooit in Tatabanya geweest. Niet toevallig. Gepland. Als een soort bedevaart. Een middelgrote stad met zo’n 100.000 inwoners. Het straatbeeld wordt er nog steeds bepaald door Lada’s en Trabantjes. Grote grijze rijen flats. Oostblok puur sang. Het voetbalstadion bestaat uit rot beton en roestig ijzer. Ik heb er op de middenstip gestaan. De middenstip van Jòszef. In de kroeg naast het stadion wist de serveerster dat we uit Rotterdam kwamen. De enige toeristen die ooit in Tatabanya komen zijn Rotterdammers. Tientallen per jaar schijnen het te zijn. Op zoek naar een stukje nostalgie. Een stukje Jòszef.

Iemand als Jòszef vind je niet snel meer, daarom dit stukje. Jòszef is vandaag vijftig geworden, maar als ik eerlijk ben. Die oude kop, zijn snor, zijn bierbuik……Jòszef is voor mij nog nooit géén vijftig geweest!