Op zoek naar Alex, mijn vriend (1)

Alex was mijn vriend, althans, zo noemde hij mij altijd…My friend. Ik was een jaar of achttien, Alex was stukken ouder. Naar mijn weten heb ik hem nooit naar zijn leeftijd gevraagd, leeftijd vonden we niet belangrijk. Als ik er zo achteraf op terugkijk, was hij rond de veertig, maar zeker weten doe ik het niet. Bij dat soort mensen, is dat moeilijk schatten.

Iedere zaterdagavond vóór ik uitging, zag ik Alex. Soms even vluchtig. Soms zaten we een uur te praten. Alex hield zich op zaterdagavonden meestal op rond metrostation Stadhuis. Hij zat er op een bankje of doolde wat rond en sprak mensen aan. Bij onze eerste ontmoeting klampte hij mij aan, bedelde om wat geld om de nachtopvang te kunnen betalen. Iemand had mij geleerd om zwervers geen geld te doneren, want daar kochten ze alleen maar drugs van, je kon ze beter iets te eten geven. Toen ik Alex voorstelde om iets te eten voor hem te kopen, reageerde hij enthousiast. Hij had honger. We liepen samen naar de Mc Donalds. Zo begon onze ‘vriendschap’.

Alex was een dakloze, een zwerver en kwam uit Zuid-Afrika. Jo-Burg, townships. Ik knikte, maar wist van niets. Een neger. Bruin. Niet zwart. Wat opviel was zijn gebit. Er ontbraken twee tanden, maar de rest was smetteloos wit. Hij maakte op mij een verzorgde indruk. Voor een dakloze. Hij beweerde geen drugs te gebruiken en ik geloofde hem wel. Daar zag hij er te goed voor uit.

Elke week voordat ik richting Stadhuisplein, Hollywood of ander etablissement liep, zocht ik Alex even op voor een praatje. Na de eerste keer vroeg hij me nooit meer om geld, maar iedere week liepen we weer samen naar de Mac. Het moet er frappant uit hebben gezien. Post-puber, blank met een duidelijke kak-outfit. Ralph Lauren-bloesje, suède Timberlands, geflankeerd door een Afrikaanse dakloze. Alex wilde altijd salade, daar snapte ik niets van. Ik nam meestal een Quarter pounder. Alex nam altijd maar een paar hapjes van zijn salade, waarschijnlijk om zijn waardering te tonen. Daarna verstopte hij de plastic bak in de voering van zijn jas. ‘ Voor later’. Meestal zaten we daarna nog even op een bankje. Alex op de zitting. Ik met mijn voeten op de zitting en met mijn kont op de leuning. Zoals achttien-jarigen dat altijd pogen te doen. Voordat ik de stappen in het nachtleven zette drukte ik hem vaak nog een knaak of paar piek in zijn hand, net wat ik kon missen. Meestal wilde hij dat niet van me aannemen.

Alex was voor mij een goede manier om mijn Engels te oefenen. Hij vertelde mij over zijn Zuid-Afrika, over Apartheid. Zaterdagavond, Engels- en geschiedenisles één. Hij vertelde over zijn leven op straat. Hij had een rottende voet. Hij liet het me zien. Ik vond dat hij ermee naar de dokter moest. ‘Doctor? No, impossible!’ zei hij.
Toen ik voorstelde om met hem mee te gaan wuifde hij het weg. ‘Het gaat wel’.

Mensen krijgen andere vrienden, vooral op die leeftijd wisselt dat snel. Alex bleef mijn ‘vriend’, maar de rest van mijn vriendengroep veranderde. Ik studeerde en kwam niet zo vaak meer op ’t Stadhuis. Hollywood was helemaal Not-done! Daardoor zag ik Alex minder. Waarschijnlijk begreep hij het niet, want ik heb het hem nooit uitgelegd.

Tussen de een-na-laatste en laatste keer dat ik Alex zag, zat een paar maanden. Hij riep me vanaf een afstandje:
‘Hey Bobby, I missed you man……I’ve been looking for you, all the time!’. Ik voelde me schuldig, maar had een meisje bij me en vertelde Alex dat ik ‘haast’ had en drukte snel een joetje in zijn handen. We zouden elkaar snel weer zien beloofde ik. Dat was de laatste keer.

Het is nu vijftien jaar later en ik denk nog regelmatig aan mijn vriend. De enkele keer dat ik nog uitga in de stad, zoek ik altijd rond station Stadhuis, maar ik zie hem nooit. Heeft hij andere hangplek, in een andere stad? Hoe is het met zijn voet? Is hij terug naar Afrika?  Zou hij nog leven?

Voor mijn blogfans, maar helemaal voor mijzelf ga ik proberen deze vraag te beantwoorden. Ik ga op zoek naar Alex. De komende weken ga ik daklozen aanspreken en bellen naar instanties. Kijken of ik voor mezelf, maar ook voor jullie, duidelijk kan maken wat er gebeurd is met mijn vriend!

(wordt vervolgd)

Dé vervelende mededeling

In het onderwijs moet je soms harde mededelingen doen. Jij bent niet geschikt; jij zal vast hard geleerd hebben maar toch heb je een onvoldoende; je hebt niets ingeleverd dus heb je een één.
Omdat ik een aantal jaren, met tussenpozen, voor de klas heb gestaan, moest ik ook dergelijke mededelingen doen. Niet leuk, wel noodzakelijk.

Wesley was een jongen waar ik dit soort mededelingen vaker dan gemiddeld deed. Of hij echt Wesley heette, laat ik een beetje in het midden. Oud-leerlingen lezen ook mee. Hij had in ieder geval wel een Wesley-achtige naam. Wesley was op zich een leuke opgewekte jongen, zeventien jaar en evenveel kilootjes te veel. Wesley had elke dag een trainingspak aan naar school.

Jonge jongens zijn niet altijd even braaf als het om het inleveren van opdrachten en huiswerk gaat en ik moet zeggen dat ik aardig flexibel ben. Ik ben zelf ook een zeventien- jarige jongen in een trainingspak geweest, dus met een plausibele kutsmoes krijg je bij mij nog wel eens een dagje uitstel. Ik hoor excuses altijd glimlachend en quasi-goedgelovend aan.
Wesley kreeg ook uitstel. Meerdere keren zelfs voor de opdracht. Zijn computer was nét gecrashed op het moment dat hij het wilde inleveren. Twee dagen later had hij het écht naar mijn mail gestuurd en het was wel raar dat ik de opdracht niet had ontvangen, maar hij zou het vanavond nóg een keer sturen. Na de voetbaltraining dan. Daarna bleef het stil.

De week daarop moest ik cijfers inleveren, maar had in de tussentijd nog niets van Wesley ontvangen. Het vak communicatie. Ik zette een dikke onvoldoende achter zijn naam. Jammer knul, kans gehad, volgende blok beter!

– Even wat extra informatie over Wesley: Wesley voetbalt in het weekend. CKC, DCV, SVS, HOV, NOC, GLZ. Precies weet ik het niet meer, maar zijn club had in ieder geval drie letters die een onbenullige afkorting vormden. Luie middenvelder, heersend over de middencirkel. Een venijnig schot in de poten, waardoor hij in de jeugdelftallen van zijn club doelpuntjes meepikte door de penalties en vrije trappen te nemen. Op zondag speelde hij regelmatig mee met het tweede elftal. Soms zat hij bij het eerste op de bank –

Onaangekondigd stond ze bij de balie, de moeder van Wesley. Ze wilde met mij spreken. Zoals zo vaak verdraaien jongens van zeventien de feiten nog wel eens en ze kwam het gelijk halen. Ik haalde koffie en griste een paar plakken cake uit de werkruimte mee. Wesley werd uit de les gehaald en met een vette knipoog gaf ik hem het dikste plakje.
Wesley’s moeder wist niks van een computer die gecrashed was. Toen ze bleef doorhameren op de mail die Wesley écht gestuurd had, deed ik het voorstel om even zijn verzonden items te bekijken. Wesley was stil en rood.
Moeder erkende haar verlies, vooral nadat ik aan Wesley had gevraagd of hij écht dacht dat ik deze verhalen had geloofd.

Moeder, inmiddels een stuk milder, gooide het over een andere boeg. ‘Tja voetballen hé, dat is alles voor hem, daar stort hij zich helemaal op’. ‘Dat begrijp ik’ zei ik. ‘Ik heb zelf in mijn jeugd ook altijd gevoetbald.’ Nu kan ik het niet meer’ zei ik terwijl ik met mijn vlakke hand twee keer zachtjes op mijn knie sloeg. Ze knikte begrijpend. ‘Jammer’ zei ze. Ik mompelde iets van mhwoah terwijl ik mijn schouders lichtjes optilde.
‘Maar u moet begrijpen dat het voor Wesley van belang is dat hij zijn opleiding haalt, want met voetballen kan hij zijn brood niet verdienen’ zei ik samenzweerderig tegen de moeder van Wesley.

Moeder keek me aan. Wesley verslikte zich bijna in zijn tweede plak cake. Ze zagen water, nee ijs, branden. Ik probeerde nog te nuanceren: ‘Ja laten we eerlijk zijn, als hij écht heel goed was, had hij nu al in de Kuip gelopen toch?’ Totale paniek in hun ogen. Nu was ik de boodschapper van het kwaad. Door mij leken ze zich te realiseren dat hun droom misschien niet uit ging komen. Geen WK-Finale voor Wesley. Geen vuurwerk afsteken in de badkamer. Geen zusje van Yolanthe. Zelfs geen Sabia.

De droom waarvan de meeste jongens op hun twaalfde of dertiende doorhebben, dat het niet meer gaat gebeuren. Die droom sloeg ik tussen twee pakken cake aan diggelen voor Wesley. Het liefst had ik gewild dat Wesley zijn vader tegenover mij aan tafel zat. Want waarschijnlijk weet zijn vader dit al lang. Diep van binnen weten vaders als jongetjes een jaar of vier zijn of ‘het’ gaat gebeuren of niet.

‘Volgens mij zijn we klaar met dit gesprek’ zei moeder ineens. ‘Ga je mee Wes?’ Wesley stond op en keek begerig naar het laatste plakje cake , maar besloot resoluut het laatste uitgedroogde kontje te laten liggen.

Wesley heeft zijn opleiding niet afgemaakt. Hij is een sportopleiding gaan doen, die hij ook niet heeft afgemaakt. Zoals jullie wel zullen vermoeden speelt hij nog steeds niet in de Kuip. Al spit ik wel elke maandagmorgen de regionale sportkatern van het Algemeen Dagblad door op zoek naar zijn naam, die ik tot op heden nog niet ben tegengekomen.

Ik heb zelf een zoontje van vier en diep van binnen weet ik het al. Daar ben ik vader voor! Het gaat ‘m niet worden. Geen Kuip, geen WK-Finale. Hij is nog in de leeftijd dat hij denkt dat hij de bal harder schiet naarmate zijn aanloop langer is. Hij pakt de bal ook vaak in zijn handen of slaat er graag met een stok tegen.  

Bal. Stok…..Hockey. Golf…..Olympische spelen, WK, Btitisch open, lekkere wijven, mooie auto’s. Vuurwerk in je badkamer! Het komt helemaal goed!

Als hij straks uit school komt, gaan we het gelijk vieren. Met cake!